logoSBnotekst-BG24

 

 

Internettermen vervolg...

Internettermen
Hosting:
Uw website kunt u in het algemeen niet vanaf uw eigen computer draaien. Dit zou een erg zware belasting vormen voor uw computer, hij zou altijd aan moeten staan, en uw Internetverbinding zou snel erg traag worden. Een Hosting-provider heeft grote ruimtes met heel veel servers, waarop weer een heleboel websites draaien. Zij hebben de ervaring van het beheren van de servers, maken backups, en zorgen ervoor dat als er bijvoorbeeld brandschade ontstaat, er een andere locatie kan worden ingeschakeld met dezelfde servers, zodat uw website gewoon online kan blijven.
Domein:
Een domein is een adres op het Internet: iSpace.nu; kpn.com; upc.nl; google.com. Dit zijn allemaal voorbeelden van domeinnamen. Domeinnamen zijn niet hoofdlettergevoelig. Je kunt ze dus met of zonder hoofdletters typen.
Subdomein:
Een voorbeeld van een subdomein van bijvoorbeeld KPN.com zou kunnen zijn: consumenten.kpn.com. Op het moment dat je eigenaar bent van het KPN.com domein, kun je elk gewenst subdomein aanmaken, en daar desgewenst ook weer een website aan hangen.
TLD:
Top Level Domains zijn voor domeinen wat bestandsextensies zijn voor bestanden. Voorbeelden van TLD’s zijn:
• .COM
• .NL
• .EU
Er zijn er veel. Elk land heeft zijn eigen TLD, en daarnaast is er nog een hele reeks TLD’s die landengrenzen overstijgen, zoals .gov (voor government); .org (voor non-profit organisaties); .tv; .nu, .net, enz. enz. Als u een domein registreert (aanvraagt), doet u dit altijd in combinatie met een TLD. Ze staan echter wel los van elkaar. D.w.z. dat het domein mango.com misschien al iemands eigendom is, maar dat mango.nl nog wel beschikbaar is. U kunt deze dan nog claimen. Op de websites van hosting-providers (bijv. Webreus.nl) is altijd een mogelijkheid om te controleren of het domein+TLD dat u wilt hebben nog beschikbaar is. Is dit niet het geval, dan heeft u in het algemeen pech. Het is natuurlijk mogelijk om op zoek te gaan naar de eigenaar van het domein, en hem te proberen te bewegen het domein aan u te verkopen. U kunt de eigenaar achterhalen via WHOIS. Voor een volledige lijst van TLD’s kunt u bijvoorbeeld hier terecht: Wikipedia TLD list
WWW:
World Wide Web. Dit is een algemene benaming voor het Internet. Praktisch elke website is bereikbaar door www.domeinnaam.com of .nl in te voeren. WWW kan over het algemeen ook weggelaten worden, ook dan zal het gezochte domein gevonden worden.
ISP:
Internet Service Provider. Dit zijn de bedrijven bij wie u een Internet abonnement kunt afsluiten. De bekendste namen zijn: Online, XS4all, Planet Internet, KPN, Telfort, UPC, Ziggo en Tele2.
Interface:
Dit is de gebruikersweergave. M.a.w., hoe ziet de webpagina eruit? Waar zitten de navigatieknoppen? De term interface wordt ook gebruikt voor programma’s op de computer. Elk programma, elk operating system, heeft een interface.
OS:
Operating System. Dit is het besturingssysteem van de computer. Elke computer is voorzien van een besturingssysteem. Bovenop het besturingssysteem draaien dan weer de programma’s (Internet Explorer, Outlook, Word, Safari, etc.). De bekendste voorbeelden van besturingsystemen (of OS) zijn: Microsoft Windows, Apple OSX en Linux (daarvan zijn een heleboel soorten). Maar ook mobiele telefoons hebben een OS (zoals bijv. Symbian, Android, Windows Mobile, etc.).
Open source:
Een open source applicatie is een programma dat over het algemeen gratis te verkrijgen is als download (en soms, zoals bij bijv. Linux voor een klein bedrag als CD/DVD verkrijgbaar), waar door verschillende ontwikkelaars aan wordt bijgedragen. Dit wordt mogelijk gemaakt doordat de broncode openbaar is gemaakt. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld Microsoft Windows of Apple OSX, waarvan de code niet bekend wordt gemaakt.
Het voordeel van open source is dat er aak een hele Internet-gemeenschap mee bezig is, zodat je voor ondersteuning op forums terechtkunt. Het is mooi om te zien dat mensen zo vaak bereid zijn totale onbekenden te helpen met het oplossen van problemen zonder daar iets voor terug te krijgen. Puur omdat ze trots zijn op het product.
Extensie:
Dit betekent niets anders dan de algemene benaming die voor elk type bestand wordt gebruikt. De extensie voor een Word document is bijvoorbeeld .DOC (of tegenwoordig .DOCX), de extensie voor een webpagina is vaak .HTML of .PHP. De extensie van een JPG bestand is .JPG, of .JPEG. Enzovoort. Elke extensie is gekoppeld aan een bepaald programma, zodat het Operating System weet dat als je op een .DOC bestand klikt, het dat moet openen met Word.
Internet browsers:
Programma waarmee websites bekeken kunnen worden. De bekendste voorbeelden hiervan zijn: Internet Explorer, FireFox, Opera, Safari, Chrome, etc.
Browser-compatibiliteit/Browser-ondersteuning
De mate waarin de verschillende browsers de xHTML/CSS/etc. code ondersteunen. Wordt de code niet ondersteund, dan kan dit de weergave van een website ernstig beïnvloeden. Met name Internet Explorer is berucht om zijn gebrek aan ondersteuning van allerlei code-standaarden. Dit is ook de reden dat de meeste web designers niet met Internet Explorer werken (behalve dan om te testen, want Internet Explorer is helaas wel de meest gebruikte Internet browser).
Hyperlink:
Vaak ook simpelweg ‘link’ genoemd. Dit is een karakter (letter, cijfer, teken), woord, zin, knop of plaatje waar je op kunt klikken, en die je vervolgens naar een ander deel van de website of naar een heel andere website leidt). Een voorbeeld: Als je een zoekopdracht opgeeft in Google, zijn alle resultaten aanklikbaar. Dit zijn hyperlinks.
Er zijn ook hyperlinks die naar een andere plek binnen dezelfde webpagina verwijzen (bijv. een knopje om weer naar helemaal bovenin de site te gaan). Dit heet een Anchor.
Anchor:
Hyperlink die verwijst naar een locatie binnen de geopende webpagina. Op deze pagina zie je hier veel voorbeelden van. Door op de hyperlink te klikken verplaats je je automatisch op deze pagina naar de term die je hebt aangeklikt.
Server:
Een server is een zwaar uitgeruste computer die in staat is door veel mensen tegelijk benaderd te kunnen worden. Een voorbeeld is een File server bij een bedrijf. Hierop worden centraal alle bestanden (Word documenten, presentaties, etc.) bewaard. De werknemer werkt vanaf zijn eigen desktop computer en slaat de gemaakte documenten op de File server op. Een ander voorbeeld hiervan is een Web server. Deze kan een groot aantal verschillende websites in zich hebben (‘hosten’), die op hun beurt weer door vele mensen tegelijk bekeken kunnen worden.
IP adres:
Elke website heeft een IP (Internet Protocol) adres. Dit is een numerieke code bestaande uit 4 cijfers gescheiden door punten (bijv. 192.168.127.5) aan de hand waarvan alle servers (en andere netwerkapparatuur) op het Internet elkaar kunnen identificeren.
Op dit moment is IPv4 nog altijd de standaard. Het aantal wereldwijd beschikbare IP adressen dat hierbinnen mogelijk is loopt echter tegen zijn grenzen aan (elk cijfer moet tussen 0 en 255 zijn). Om dit op te lossen is IPv6 in het leven geroepen. Dit is al deels in gebruik. Het zal echter nog wel even duren voordat IPv4 wordt uitgefaseerd.
DNS:
Domain Name System. Omdat het onpraktisch zou zijn als je een IP adres moest onthouden om naar een website te gaan, is DNS in het leven geroepen. Dit systeem vertaalt een IP adres in een naam. Bijv. 66.102.13.104 wordt hiermee vertaald naar www.google.nl.
HTML:
HyperText Markup Language. Dit is de basis script-taal op Internet. Het zorgt ervoor dat de code wordt vertaald naar een interface met opmaak (kleuren, plaatjes, knoppen, etc). In HTML is elke pagina die via het menu is op te roepen een apart .HTML of .HTM bestand.
De huidige standaard is versie 4, maar versie 5 is in ontwikkeling, en wordt door sommige browsers (bijv. Chrome van Google) al ondersteund.
xHTML:
Extensible HyperText Markup Language is, net als HTML, een opmaaktaal voor websites. Maar het hanteert striktere regels. Hierdoor werkt het eenvoudiger, en worden pagina’s consistenter weergegeven in verschillende Internet browsers.
CSS:
Cascading Style Sheet. Omdat veel onderdelen van een website op veel pagina’s op dezelfde manier moeten worden weergegeven (bijv. lettertype, kleur van de achtergrond, etc), is CSS bedacht. Zoals de naam al verraadt, wordt hierin de ‘stijl’ van de pagina’s bepaald. Dit maakt het maken van aanpassingen ook eenvoudiger. Als bijv. je letterkleur op de website ‘rood’ is, en je wilt dit aanpassen, kun je dat m.b.v. CSS eenvoudig op één plaats voor de gehele website aanpassen, waar dit vroeger per pagina gedaan moest worden.
De huidige standaard is CSS versie 2. CSS 3 bestaat ook, maar wordt door met name Internet Explorer nog nauwelijks ondersteund.
Database:
Veel websites zijn database-georiënteerd. Dat betekent dat pagina’s dynamisch worden gemaakt op het moment dat de bezoeker op een bepaalde knop drukt (bijv op de knop ‘Contact’). Op dat moment worden de verschillende onderdelen die tezamen de Contactpagina opmaken, vanuit de database opgeroepen en wordt er dus dynamisch een pagina opgebouwd. Dit staat tegenover statische HTML pagina’s, die in zijn geheel zijn gebouwd, en minder eenvoudig door de eigenaar van de website zijn aan te passen.
PHP:
Hypertext PreProcessor. PHP is de script-taal die door de meeste database-gebaseerde websites wordt gebruikt. Webpagina’s hebben dan niet de extensie .HTML of .HTM, maar .PHP.
CMS:
Content Management System. Een CMS is een database applicatie dat tot doel heeft dat Content eenvoudig door de “eigenaar” van de website kan worden bijgewerkt.
Het grote voordeel van een CMS is dat dat de eigenaar van de website gemakkelijk zaken kan toevoegen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan productpagina’s, het wijzigen van tekst of prijzen, het toevoegen van foto’s, etc.
Er zijn ontzettend veel verschillende CMS’en. Sommige kosten een fortuin, sommigen zijn gratis. Allen hebben zo hun voor- en nadelen.
Content:
In de meeste grote bedrijven zijn mensen belast met het beheren van de content, of inhoud, van de website. Ze plaatsen regelmatig nieuwe artikelen, nieuwe aanbiedingen, producten, probleemoplossingen, enz. Deze inhoud wordt Content genoemd.
De term Content wordt ook vaak gebruikt om het centrale gedeelte op een webpagina aan te duiden, dat gedeelte waar de tekst, producten, etc. staan.
Lorem ipsum:
Lorem ipsum is een stuk fictieve tekst dat door veel webdesigners wordt gebruikt om ontwerppagina’s mee te vullen. Het doel hiervan is dat het oogt als normale tekst, maar niet afleidt van het ontwerp, omdat het niets betekent.
Header:
Dit is de kop boven bijna elke website. Hier staat bijv. het logo in.
Footer:
Dit is de onderste balk op een webpagina (hoeft overigens niet perse aanwezig te zijn). Vaak staan hier contactgegevens, en gegevens van de ontwerper van de website.
Navigatie:
Dit is de rij menu-knoppen (hyperlinks). Deze kan op elke plaats staan op een webpagina, maar in verreweg de meeste gevallen staat deze links of bovenin (net onder de header). Het is de navigatie voor de website.
Drop-down menu:
Het dropdown-menu is een populaire vormgeving van het navigatiemenu. Als je met de muis over één van de menu-opties beweegt, klapt er een menu uit met subpagina’s.
Joomla!:
Joomla! Is een open source CMS. Het is dus gratis te downloaden, en je kunt er vervolgens relatief simpel een website mee bouwen. Er zijn veel gratis (maar ook veel commerciële) plugins/addons die de mogelijkheid geven tot het uitbreiden van functionaliteit (bijvoorbeeld een webshop of een fotogalerie). Joomla! (maar dit geldt ook vaak voor andere CMS’en) bieden een eenvoudige manier om een website te creeëren, maar zijn in het algemeen minder flexibel qua vormgeving. Je krijgt hiermee al vrij snel een dertien-in-een-dozijn website.
Een groot voordeel van Joomla! Is dat het aanpassen of toevoegen op de website door de eigenaar relatief eenvoudig is. De gebruikersinterface is overzichtelijk en tamelijk logisch ingedeeld.
MODx:
MODx is een open source CMS. Het is, net als Joomla! Gratis. Ten opzicht van Joomla! Heeft het voor- en nadelen:
Voordelen: de vormgeving (layout) is een stuk eenvoudiger te bewerken, waardoor de websites er minder snel standaard uitzien.
Nadelen: de gebruikersinterface is tamelijk technisch georiënteerd, waardoor het voor gebruikers (en ook voor webdesigners) minder eenvoudig is aanpassingen te maken dan bij Joomla! Of WordPress.
WordPress:
WordPress is een open source CMS (en dus ook gratis), dat oorspronkelijk gebouwd is om blog websites mee te kunnen maken. Het wordt tegenwoordig echter voor allerhande websites gebruikt. Het is één van de meest populaire CMS- en op de markt. Het heeft grofweg dezelfde voor- en nadelen als Joomla!
Plug-ins/Add-ons:
Plugins en Addons (deze termen worden vaak door elkaar gebruikt) zijn stukjes functionaliteit die aan een website (of aan een computerprogramma) kunnen worden toegevoegd. Voorbeelden voor websites zijn: Blog, Webshop, Loginscherm, Fotogalerie, Contactformulier. Er zijn ontelbare plugins/addons voor elk type website beschikbaar.
Contactformulier:
Het contactformulier is een veelgebruikte functionaliteit op websites. Het is een manier om bezoekers van uw website een e-mail aan u te laten sturen, zonder dat u daarbij uw e-mail adres prijs hoeft te geven. Tevens is het eenvoudig om bijv. een automatisch antwoord te laten versturen, en bepaalde restricties op te leggen (bijvoorbeeld het kiezen van een onderwerp of het beperken van de mogelijkheden tot het invoegen van een bestand (attachment).
FAQ:
Frequently Asked Questions. Veel websites, met name dienstverleners als ISP’s, mobiele telefoon providers en leveranciers van software hebben een FAQ gedeelte op hun website. Hier worden de meest voorkomende vragen gesteld, en beantwoord. Het zorgt ervoor dat u in veel gevallen snel antwoord op uw vraag hebt, en geen contact hoeft te zoeken met de dienstverlener, die daarmee zijn personeelskosten weer lager kan houden omdat niet elke vraag individueel hoeft te worden beantwoord.
Blog:
Een blog (of eigenlijk ‘weblog’) is een meestal eenvoudige website waarop mensen de meest uiteenlopende informatie plaatsen. Er zijn weblogs van webdesigners waar ze artikelen plaatsen, er zijn bands die een blog website hebben om met hun fans te communiceren, enz. enz. Een populair systeem om een weblog mee te bouwen is WordPress. Uitgebreide informatie is te vinden op de website van WordPress.org
Forum:
Website (of deel van een website) waarop gebruikers/ontwikkelaars van bepaalde software samenkomen om ideeën uit te wisselen, elkaar te helpen met het oplossen van problemen, etc. Er zijn ook veel fora die over andere zaken dan software gaan, bijv. discussiefora over films, muziek, nieuws, etc. Bekende voorbeelden zijn het forum op Tweakers.net en Fok.nl
Social networking:
Neemt intussen een zeer belangrijke positie in op het Internet. Social Networking wil eigenlijk zeggen: Contact houden met diegenen die hebben aangegeven contact met je te willen onderhouden. Er zijn allerlei voorbeelden: LinkedIn (voor met name professioneel gerichte communicatie, mensen op zoek naar een baan, e.d.), Twitter, MySpace, Facebook, enz. Het zorgt ervoor dat de wereld waarin we leven steeds kleiner wordt, iedereen wordt bereikbaar.
Twitter:
Twitter is een nieuwe manier van communiceren met je omgeving, ofwel een goed voorbeeld van Social Networking. Veel mensen twitteren dagelijkse sleur (‘ik heb net boodschappen gedaan’, ‘Gisteravond naar het Nederlands Elftal gekeken?’), maar bedrijven weten Twitter ook op een steeds professionelere manier te gebruiken. Het is een zeer krachtige marketingmethode. Veel websites versturen ook Tweets, met bijvoorbeeld de mededeling dat ze een nieuw product aanbieden, of blogs dat ze een interessant nieuw artikel hebben geplaatst. Iedereen met een Twitter account kan zich bij anderen aanmelden als Follower (volger). Als dit is gebeurd, ontvangen ze vervolgens alle Tweets die door de gevolgde persoon of het gevolgde bedrijf worden verstuurd. Veel websites plaatsen tegenwoordig artikelen met de mogelijkheid deze te tweeten. Dit betekent dat je d.m.v. je Twitter account een link naar het artikel naar je groep volgers stuurt om ze erop te attenderen.
RSS:
Really Simple Syndication. Op veel websites (denk aan nieuws sites, beurs sites, e.d.) kun je je via RSS abonneren op nieuwe berichten. Als je dit doet, ontvang je automatisch bericht als er een nieuw artikel of een update verschijnt op de beurs website. Het is een goede methode om je SEO te verhogen.
Zoekmachineoptimalisatie (SEO) :
Zoekmachineoptimalisatie (Search Engine Optimalization, ofwel SEO). Het doel van SEO is om met uw website zo hoog mogelijk bovenaan de lijst te eindigen als iemand zoektermen invoert in Google of andere search engines. Er zijn erg veel theorieën over, maar feit is dat Google de manier waarop bepaald wordt welke site hoog eindigt en welke niet, niet prijsgeeft. De algehele consensus is dat de beste manier is om te zorgen voor een “zo eerlijk mogelijke” website. Dus geen trucjes toepassen om hoog te eindigen, maar gewoon duidelijk op je website vermelden wat het doel is, welke producten of diensten je verkoopt, etc. Door de keywords hier regelmatig in de tekst te gebruiken, zul je door zoekmachines beter worden opgepikt. Een andere goed manier om SEO te bewerkstelligen is zorgen voor vermelding op andere websites, en links vanaf andere websites naar je eigen website.
Linkbuilding:
Een belangrijk onderdeel van zoekmachineoptimalisatie is Linkbuilding. Linkbuilding is het plaatsen van links op andere websites naar je eigen website. Dit kan door op een artikel op een andere website te reageren en daar een link aan toe te voegen. Maar ook door klanten, zakenpartners en leveranciers te vragen of ze een link op hun website willen plaatsen.
Keywords:
Keywords of tags zijn eigenlijk de zoektermen die iemand in Google zou invoeren om een organisatie als de uwe te vinden. Het is belangrijk zoveel mogelijk van dergelijke keywords te noteren, deze zullen ook in de Keywords sectie van de website verwerkt worden (dit is een gedeelte dat niet zichtbaar is op de website, maar door Internet browsers en zoekmachines wordt uitgelezen.
E-commerce:
E-commerce betekent niets anders dan commercie m.b.v. het Internet. Dus online je diensten en of producten aanbieden.
Pixel:
Elk schem op een computer is opgebouwd uit pixels. Een standaardformaat voor moderne monitoren is bijvoorbeeld 1280×960 pixels, of, voor een breedbeeldscherm, 1600×900.
Elk plaatje, elke foto, elke letter op een webpagina bestaat uit pixels. Het voordeel van pixel-bestanden is dat ze eenvoudig zijn aan te passen naar kleinere formaten m.b.v. alle gangbare foto-applicaties (Photoshop, Picasa, ACDSee, Gimp, etc).
Resolutie:
De term resolutie wordt vooral op twee manieren gebruikt:
1.Resolutie van een beeldscherm: De tegenwoordig als minimale standaard gebruikte resolutie is 1024×768. Effectief betekent dit een kleiner scherm, of een groot scherm met vergrote weergave (zoals bijvoorbeeld door slechtzienden gebruikt wordt). Dit is een belangrijk gegeven voor webdesigners, omdat je er rekening mee moet houden dat een website ook op een “kleiner” scherm overzichtelijk weergegeven moet worden. Dit verklaart tevens waarom veel websites op grote schermen slechts een klein deel van het totaal beschikbare scherm gebruiken.
2.Resolutie van een foto of plaatje: Dit wordt aangeduid in dpi. Hoe hoger de resolutie, hoe groter de foto kan worden afgedrukt zonder zichtbaar kwaliteitsverlies.
DPI:
Dots per inch. Dit duidt op het aantal pixels per vierkante inch. De standaard voor Internetplaatjes en foto’s is 72dpi. Dit is veel lager dan de standaard bij bijvoorbeeld digitale fotocamera’s, die is vaak 300dpi of meer, of voor drukwerk, waar het zelfs vaak 600dpi is. Voor een goede weergave op het web is 72dpi echter voldoende. Het voordeel hiervan is dat de bestanden hiermee klein blijven, en de website dus snel wordt ingeladen (snel zichtbaar is).
Vector:
De tegenhanger van het pixel-bestand is het vector-bestand. Veel logo’s, tekeningen, etc. zijn vector-bestanden. Het voordeel van vectorbestanden is dat je ze oneindig kunt vergroten zonder kwaliteitsverlies. Een logo van een paar vierkante centimeter kan worden opgeblazen tot een poster van 10 bij 10 meter, de kwaliteit blijft hetzelfde. Dit komt doordat het plaatje is opgebouwd d.m.v. berekeningen i.p.v. puntjes (zoals bij pixels). Bijkomend voordeel is dat bestanden kleiner gehouden kunnen worden dan hun pixel-gebaseerde collega’s.
PNG:
Veel plaatjes, knoppen, logo’s, achtergronden, e.d. op Internet zijn in het PNG formaat. Het voordeel hiervan is dat de weergave bij een beperkt aantal kleuren (max 256), dus niet geschikt voor echte foto’s. Voordelen ten opzichte van JPG zijn dat de bestanden klein kunnen worden gehouden zonder noemenswaardig kwaliteitsverlies, en dat ze als transparant bestand kunnen worden opgeslagen. Als je bijvoorbeeld een logobestand hebt, en je slaat deze als transparant bestand op, zie je de achtergrondkleur erdoorheen. Ook gelijdelijke (of semi-) transparantie wordt ondersteund door PNG (bijv. als een schaduw langzamerhand steeds transparanter moet worden). Dit laatste geldt echter alleen voor 24-bits PNG bestanden, niet voor het standaard 8-bits formaat. 24-bits PNG bestanden worden nog niet door alle browsers even goed ondersteund, met name oudere versies van Internet Explorer geven hierbij problemen.
JPG:
JPG of JPEG (Joint Photographic Experts Group) is het standaard bestandsformaat voor foto’s op Internet. Het heeft een vele malen groter kleurbereik (24 bits ofwel 16 miljoen) dan 8-bits PNG of GIF. Het is echter minder geschikt voor hoge compressie, bestanden ogen dan wat vaag en viezig.
GIF:
GIF heeft veel van de voordelen van een a href=”#PNG”>PNG bestand, en was voor de opkomst van PNG dan ook de standaard voor logo’s, kleine animaties en transparante bestanden: het levert een grote compressie, en is geschikt voor bestanden met beperkte kleurruimte (max 256 kleuren). Uitzondering is de geleidelijke transparantie. GIF biedt ook de mogelijkheid tot simpele animaties. Één GIF bestand kan meerdere plaatjes in zich hebben, waardoor je bijv. kleuren kunt laten veranderen, of een poppetje kunt laten bewegen.
PDF:
PDF is het standaard bestandsformaat voor drukwerk. Als u een visitekaartje laat ontwerpen, zal de ontwerper het bestand voor de drukker vaak in PDF formaat opleveren. Het is tevens een zeer veel gebruikt bestandsformaat op Internet, voor bijvoorbeeld digitale boeken, offertes, contracten e.d. Het voordeel is dat het door iedereen kan worden gelezen (PDF readers als Adobe PDF Reader of Foxit PDF Reader zijn gratis), en er in de bestanden geen wijzigingen aangebracht kunnen worden.
Flash:
Adobe Flash is momenteel de standaard voor animaties (bewegende beelden) op het web. Nog niet zo lang geleden werden er heel veel websites compleet in Flash gebouwd. De mogelijkheden voor spectaculaire effecten zijn groot, en het laadt veel sneller dan javascript equivalenten. De populariteit van Flash is aan het afnemen, doordat bijv. Apple ervoor heeft gekozen Flash niet te laten ondersteunen op de iPhone of iPad. Dit heeft waarschijnlijk voornamelijk commerciële achtergronden.
Javascript:
Java is een script-taal waarmee allerlei effecten kunnen worden gecreëerd. Zoals bijv. uitklapmenu’s of van kleur wisselende menuknoppen. Het is een ideale scrip-taal voor eenvoudigere (dan Flash) effecten. Het laadt echter trager dan Flash, dus het is niet aan te raden als er grotere effecten gebruikt moeten worden.
jQuery;
jQuery is een afgeleide van Javascript. Het heeft bijzonder veel effect-mogelijkheden, en is, in tegenstelling tot Flash, erg lichtgewicht qua laadtijd en hoeveelheid code. jQuery is op dit moment snel heel populair aan het worden onder webdesigners.
RGB:
Red Green Blue. RGB is de standaard kleurweergave op Internet. Het is mogelijk RGB om te zetten naar CMYK, maar er treden wel kleurverschillen op. Niet verstandig dus, als u de kleuren van uw logo heel exact bepaald heeft.
CMYK:
Cyan Magenta Yellow Key (key staat voor zwart)): Is de standaard kleurweergave voor drukwerk. Het is mogelijk CMYK om te zetten naar RGB, maar er treden wel kleurverschillen op.
FTP:
File Transfer Protocol. Dit is een alternatief netwerkprotocol dat veel op Internet wordt gebruikt voor het simpelweg uitwisselen van bestanden. Het biedt slechts een eenvoudige interface (vergelijkbaar
met de Windows Verkenner), maar is daardoor efficiënter en sneller als het gaat om bestandsuitwisseling. Het wordt bijvoorbeeld vaak gebruikt door webdesigners om de complete website van een testsysteem naar de uiteindelijke webserver te verplaatsen.
http:
HyperText Transfer Protocol. Dit is het standaard netwerkprotocol op Internet. Het geeft de informatie die opgevraagd wordt door aan de Internet browser, die dit vervolgens weer omzet in herkenbaar beeld.
HTTPS:
Secure HyperText Transfer Protocol. Dit is een combinatie van HTTP en SSL (Secure Sockets Layer). Het zorgt voor een beveiligde verbinding, bijvoorbeeld op het moment dat u op een website bent ingelogd, of een betaling gaat uitvoeren.
Netwerkprotocol:
Het Internet is een netwerk. Om informatie over dit netwerk te kunnen sturen, is een protocol nodig, of eigenlijk een groep (suite) van protocollen. Deze zorgen ervoor dat alle computers, routers, en alle andere netwerkapparatuur, met elkaar kunnen communiceren, en weten wat ze door moeten geven. Voorbeelden van Internet-netwerkprotocollen zijn HTTP en FTP.
Intranet:
Een intranet is een “interne” website voor organisaties. Het is alleen toegankelijk binnen het netwerk van de organisatie zelf, en bevat informatie dat alleen voor werknemers bedoeld is.
Extranet:
Een extranet is een soort intranet, met als verschil dat het van buitenaf, via speciaal beveiligde netwerken beschikbaar is voor werknemers of leveranciers van de organisatie. Denk bijvoorbeeld aan thuiswerken of het door een leverancier invoeren van bestelling gegevens.